Brief van 2 november van onze bisschop

Heer, geef hun de eeuwige rust
en het eeuwig licht verlichte hen

Broeders en zusters,
medegelovigen in het bisdom Rotterdam,

In november gedenken we onze dierbare overledenen en al degenen die ons in de dood zijn voorgegaan. In het najaar doen verschillende dingen ons eerder denken aan sterven en dood: bomen verliezen hun bladeren, dagen worden korter en de duisternis neemt toe van dag tot dag.

Dit jaar wordt november bovendien getekend door de gevolgen van het corona-virus. Wanneer in de afgelopen tijd mensen stierven was het niet altijd mogelijk om de uitvaart te laten plaatsvinden met alle mensen die aanwezig zouden willen zijn. Dit maakt het afscheid en de rouw vaak nog zwaarder.

Nu we in november te maken hebben met een tweede golf aan besmettingen blijven de beperkingen voortduren, ook waar het gaat om het deelnemen aan de vieringen in de kerk op 2 november. Maar ondanks dit alles zullen wij als Kerk de gedachtenis van Allerzielen niet overslaan en ongemerkt aan ons voorbij laten gaan.

Wanneer wij onze overledenen gedenken en voor hen bidden, dan laten we zien dat we ons verbonden weten met degenen die ons in de dood zijn voorgegaan. Als Kerk mogen wij beseffen dat we één gemeenschap zijn van levenden en gestorvenen, in verbondenheid met de verrezen Heer die onze toekomst is en onze weg naar het eeuwig leven.

In dit perspectief gaat de jaarlijkse gedachtenis van Allerzielen niet alleen over herinneringen. We kijken in november niet alleen terug op de levens van hen die gestorven zijn, ook al hadden zij een grote plaats in ons leven en zijn er veel herinneringen. Ten diepste kijken wij in deze dagen van herdenken ook vooruit. Wanneer wij op Allerzielen bidden voor de overledenen, dan vragen wij de Heer in
vertrouwen om hun zonden te vergeven en dat onze gestorvenen Gods barmhartigheid mogen ondervinden, dat zij voor altijd delen in het eeuwig leven bij de Heer.

In deze geest is het belangrijk om in het bijzonder ook te bidden voor overledenen die geen familie of nabestaanden lijken te hebben of die in eenzaamheid gestorven zijn, en is het belangrijk dat wij in onze parochies blijven bidden voor de zielenrust van mensen waaraan niemand meer denkt en wier namen bijna vergeten zijn, in de overtuiging dat onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand (cf Jesaja49, 16).

Vanouds is bidden voor de overledenen een werk van barmhartigheid en Allerzielen is bij uitstek de gelegenheid om als Kerk door ons gezamenlijk gebed de onderlinge solidariteit van de levenden en de gestorvenen tot uiting te brengen. Ten diepste is bidden voor de overledenen een getuigenis van ons geloof in de verrijzenis en het eeuwig leven, waar de dood niet meer heerst (Apocalyps 21,4).

Juist nu in november van dit moeilijke jaar wil ik u bij gelegenheid van Allerzielen met deze brief verzekeren van mijn verbondenheid in gebed met u allen. Ik bid dat te midden van gevoelens van verdriet en gemis u toch ook de kracht en sterkte zult mogen hebben om mét al uw herinneringen in gebed gericht te blijven op de verrezen Heer. Dat u gesteund door het evangelie van Pasen blijft vasthouden aan Jezus die gezegd heeft: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven’ (Johannes 11, 25).

In het diocesane Jaar van het Woord van God, wil ik graag het getuigenis van de apostel Paulus met u delen. Het zijn woorden uit zijn eerste brief aan de christenen van Tessalonika (4, 14-14.17b-18), die ook op Allerzielen gelezen kunnen worden, in de kerk, op het kerkhof of thuis in kleine kring.

‘Broeders en zusters,
Wij willen u niet in onwetendheid laten
over het lot van hen die ontslapen zijn;
gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen,
die geen hoop meer hebben.

Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer opgestaan;
evenzo zal God hen die in Jezus ontslapen
levend met Hem meevoeren.
En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer.

Troost elkander dan met deze woorden.’